Vaargebied I:
De binnenwateren van Nederland, België en
Luxemburg; het geldigheidsgebied wordt begrensd door de Noordzeekust, de Noord-Hollandse, Friese en Groningse eilanden, in de Dollard door de kust van Oost-Friesland en voor de zeegaten door de uitertonnen, echter met dien verstande, dat de vaart door het ene zeegat buitenom naar het andere is uitgesloten.
Vaargebied II:
De binnenwateren van Nederland, België,
Luxemburg, Duitsland, Denemarken en Frankrijk en de kustwateren van Nederland, België, Frankrijk, Duitsland en Denemarken tot maximaal 15 mijl uit de kust.
Vaargebied III:
De binnenwateren van Nederland, België, Luxemburg, Duitsland, Denemarken en Frankrijk en de wateren niet noordelijker dan 65 graden NB, niet westelijker dan 12 graden WL, niet oostelijker dan 20 graden OL, niet zuidelijker dan 49 graden NB en de kustwateren van Frankrijk tot maximaal 15 mijl uit de kust.
Vaargebied IV:
Alle binnenwateren van West-Europa, en de wateren, niet westelijker dan 20 graden WL, niet oostelijker dan 20 graden OL, niet noordelijker dan 65 graden NB, niet zuidelijker dan 26 graden NB.